Taalstrijd is een belangrijke brandstof voor vele nationalistische oorlogen. Ons 'gepacificeerde' land ondervindt nog dagelijks de 'collateral damage' van een taalstrijd. Soms doet het deugd om perfect tweetalige kinderen te ontmoeten. Zij lijken van nature bruggenbouwers, ambassadeurs voor wederzijdse vrede en begrip. Maar dat wordt niet iedereen zomaar in de schoot geworpen. Mijn eigen verhaal.
![]() |
| De 'dortoir' van het internaat Saint Louis. Ik sliep precies in dat bed op de voorgrond. |
1969
Het jaar voordien speelden we nog op de speelplaats: "Leuven Vlaams! Leuven Vlaams!". Die van 't zesde waren de politie, wij waren de protesterende studenten. "De Walen, de Walen wat doen we ermee? Wat doen we ermee? We vegen ermee, we vegen ermee de straat. De straat !". Het ging er soms wild aan toe, zodat de 'meesters', die wel wat tumult konden verdragen, af en toe moesten ingrijpen. Vermoedelijk bootsten we na wat we op televisie zagen. Of werd ons spel toen al heimelijk aangevuurd door 'agitatoren'?
De commerciële en culturele dominantie van het engels was in die tijd nog veraf. Mijn ouders waren van mening dat het niet slecht was om hun kinderen tijdig een taalbad te geven in de taal van Baudelaire en de betergestelde klasse. Zo werd ik op mijn 11e voor een jaar gedropt in het internaat Institut Saint Louis te Namen.
'Le petit Flamand'.
"Je parle Néerlandais" was het enige wat ik tegen de opgewonden leraar kon zeggen, nadat ik op die eerste schooldag veel te laat mijn weg naar de klas had gevonden. Ik herinner mij een doolhof van gangen en klassen met overal ijzeren rasters voor de ramen. Die tralies waren er niet om de lokalen te beschermen tegen uitbraak of rellen, maar tegen de voetballers op de speelplaats. Daar kon het er ook hevig aan toe gaan. Tijdens de speeltijden in Namen was er geen sprake meer van "Leuven Vlaams!", maar was het voortdurend uitkijken dat ze de straat niet aanveegden met mij.
Bij gebrek aan de verbale middelen, leerde ik snel effectief om te gaan met vlucht-freeze-vecht-reacties en het verwerven van enige street-credibility. Bij een gemeen geschil tijdens een middagpauze, kreeg ik plots bescherming van een aantal laatstejaars van het middelbaar. Zij oefenden maar al te graag hun nederlands met 'le petit flamand'. Van toen af aan moest er ook nog niemand een vinger naar mij uitsteken! Een goede deal, toch?
Van de drie abbés die voor onze bewaking/opvoeding als internen instonden was er naar mijn gevoel één neutrale bij, één extra streng voor mij, en de derde tegemoetkomend en lief. Soms was die wat ongemakkelijk vriendelijk, zonder dat er ooit iets gebeurd is. De abbés konden mij, net met hun goede wil, ook soms onhandig in affronten brengen. Zoals die ene keer dat ze mij in het heetst van een voetbalwedstrijd aan de ploeg opdrongen om mij een 'penalty' te laten trappen. Ik ben geen doel-treffer van aard, meer een verdediger, en toen kreeg ik de halve klas over mij heen, en zeker de kolerieke gangmaker van de voetbal-speeltijden, 'Toussaint', niet toevallig dat ik zijn naam nog ken.
Taalbad of -oceaan?
Het was dus wel kwestie van emotioneel te overleven, temeer omdat in Wallonië de schoolweek nog 6 dagen telde en ik pas zaterdags-namiddag thuiskwam. Zondag-avond werd ik al terug op de trein gezet. Later werd dat maandag-ochtend, héél vroeg. Ik herinner mij van die rokerige treinreizen vooral ook de Vlamingen bierdrinkend aan de toog in de drukke hoofdgang van Brussel-Noord, waar ik een half uur op de trein naar Luxemburg diende te wachten. Op die trein: de vele vlaamse miliciens of een vaste ploeg kaartende seizoensarbeiders. Ik ging daar altijd dichtbij in de buurt zitten, om zo mijn moedertaal nog te horen. Eens op het perron van Namen, in de kissende mist van de met stoom verwarmde treinwagons, begon de uitgestrekte oceaan van de Franse taal. Daar was ik aan mezelf overgeleverd.
Het taalbad deed wel zijn werk. Tegen het einde van het jaar sprak ik Frans gelijk een kleine Waal. Mijn schoonste herinneringen aan die tijd gaan naar de losse feestdagen. Met de Ardeense internen, die ook te veraf woonden om voor één dag naar huis te gaan, maakten we het ganse instituut onveilig: van de zolders, waar de vreemde figuren sliepen die hielpen in de keuken en bij het onderhoud, tot in de refter en de tuin, waar we ons rijkelijk tegoed deden aan de kersenbomen. De hele school was van ons! De 'retenue', de volgende dagen, namen we er zonder morren bij, als 'ereteken' voor onze moedige losbandigheid en onze verbroedering.
Ik herinner mij ook één goede vriend met wie ik zelfs eens bij hem thuis langs ging, op weg naar het station, Hij was van Hongaarse afkomst vermoed ik, franstalig wel, doch niet toevallig ook een vreemde eend in de bijt?
Nu moet nog gezegd dat ik in dat 6de leerjaar les kreeg van twee verschillende 'instituteurs'. Eén kon naar mijn gevoel Vlamingen niet goed uitstaan. De klastitularis echter, monsieur Tienpont, was een bijzonder zachtaardige, sympathieke beer die heel zorgzaam, maar niet betuttelend, omging met die ene anderstalige in zijn klas. Mijn broer heeft dit 4 jaar later overigens ook nog mogen ondervinden. Pas toen kreeg ik ook door dat 'Tienpont' ook gewoon in het nederlands kan gelezen worden.
"Bloed, taal en bodem.?" Terwijl zoveel Vlamingen Walen werden en zoveel Franstaligen Vlaming, toch?
Een jaar later, nog eens op nieuw, maar wel vlaams college, slaagde een hautaine leraar Frans er op korte tijd erin om mij te doen geloven dat ik slecht was in frans. Het franse taalgevoel bleef nog wel diep in mijn cellen zitten, maar mijn uitspraak en parate woordenschat erg verzwakten erg. Gebrek aan oefengelegenheid. Het engels eiste in ons land nu eenmaal meer en meer zijn plaats op als eerste 'tweede taal'. Je moet nu zelfs al flink wat engels kennen om de nederlandse schrijftaal nog correct te kunnen beheersen.
Vele decennia later.
Rillingen. Op de radio hoor ik iemand in het Nederlands vertellen hoe de poort van het collège Saint Louis werd beschadigd bij protesten tegen de wilde onderwijsbesparingen door de MR-minister in de Waalse regering. Aan het woord is de directeur: Hans Ghys. Een Vlaming!? Ik zie voor mij hoe destijds, in die zee van nauwelijks verstaanbaar frans, iedereen die mijn eigen taal sprak ergens een eiland vormde van veiligheid en een denkbeeldige brug naar het verre 'thuis'. De telefoonlijn van de prefect naar de buren thuis vormden uiteraard, samen met de gele briefkaarten die ik meekreeg om naar huis te sturen, de enige reële verbinding met de wereld buiten de poort. Maar wat een groot, veilig eiland had zo'n Vlaamstalige directeur destijds voor die kleine anderstalige niet kunnen betekenen?!
Ik ril, bij het gevoel dat ik, noodgedwongen en nog zo jong, mee-timmerde aan een brug.
Ik denk aan de anderstalige 'nieuwkomers' in òns onderwijs. Waar zouden zij hun houvast vinden onderweg naar -letterlijk en figuurlijk- meer wederzijds begrip?
En weer lijkt er iets rondgemaakt.

