Doorgaan naar hoofdcontent

Democratie en meer vredelievend Iran: gemiste kansen.

Voor de democratie in Iran en vrede in het midden-oosten waren er waarschijnlijk twee sleutelmomenten die 'we' misten.  Kunnen we hier voor onze defensie alsnog uit leren?

  • Kans2: Net voor Trumps opzegging van het nucleair akkoord (2015–2018)

Dit was wellicht het meest hoopvolle moment in decennia. President Hassan Rohani vertegenwoordigde een gematigd, pragmatisch hervormingsgezind blok. Het nucleair akkoord (JCPOA, 2015) had de internationale isolatie doorbroken, de middenklasse groeide, jongeren en vrouwen eisten meer vrijheden. Er was een voelbare sociale druk van onderuit.

(2017) Het is misschien moeilijk te geloven – vooral voor westerse waarnemers die veranderingen in de Iraanse samenleving afmeten aan de mate waarin vrouwen hun haar onder de sluier laten zien – maar veel Iraniërs zullen niet in de eerste plaats op zoek zijn naar gerechtigheid, mensenrechten of sociale en persoonlijke vrijheden wanneer ze aanstaande vrijdag naar de stembus gaan voor de presidentsverkiezingen. Velen zijn bereid die idealen op te geven in ruil voor een gezonde economie en een buitenlands beleid dat rust brengt in plaats van oorlog

Hoe het Westen opnieuw de positie van de meer democratische leiders ondermijnde.

Toen Trump in 2018 het akkoord opzegde en zware sancties herinstelde, ondermijnde dat de economie én de geloofwaardigheid van de hervormers. De hardliners wonnen terrein terug met het argument: "Zie je wel, het Westen is niet te vertrouwen." De democratische ruimte kromp daarna snel weer.


  • Kans1: Kort na de Islamitische Revolutie (1979) — Khomeini

De kansen op democratie waren aanvankelijk niet nul. Er waren meerdere politieke stromingen die samen de Sjah hadden omvergeworpen: communisten, liberalen, islamisten. Khomeini speelde ze handig uit tegen elkaar. De westerse houding gaf hem daarbij de wind in de zeilen. Eenmaal aan de macht installeerde hij het concept van de Velayat-e faqih — het absolute gezag van de islamitische rechtsgeleerde. Politieke partijen werden verboden of uitgehold, opposanten vervolgd. De democratische opening sloot zich binnen enkele jaren volledig. De kansen waren dus kort aanwezig, maar structureel kansloos zodra Khomeini de controle had gecementeerd.

De westerse rol was ronduit contraproductief voor de democratische kansen — en dat op meerdere niveaus:

Historische wond: de coup van 1953 (waar ook Sanders naar verwijst) Het vertrekpunt is essentieel. De CIA en de Britse MI6 hadden in 1953 de democratisch verkozen premier Mossadegh omvergeworpen, omdat hij de olie wilde nationaliseren. Ze herinstalleerden de Sjah als autoritaire heerser. Voor de Iraanse bevolking was dit een open wond. Het Westen had dus al bewezen dat het Iraanse democratie actief ondermijnde als de eigen belangen dat vereisten.

Steun aan de Sjah tot het laatste moment Carter en de westerse regeringen bleven de Sjah steunen terwijl hij zijn bevolking met geweld en via de geheime politie (SAVAK) onderdrukte. Dat versterkte de antiwesterse coalitie die Khomeini verenigde.

De Iran-Irak oorlog (1980–1988) Toen Irak onder Saddam Hussein Iran aanviel, steunde het Westen — inclusief de VS — Irak. Ook chemische wapens werden door Saddam gebruikt met westers oogluiken. Dit versterkte het gevoel van belegering in Iran en consolideerde de macht van de hardliners.

Conclusie Het Westen heeft in deze fase de democratische krachten in Iran nooit ernstig gesteund. Integendeel: door eigenbelang, realpolitik en historisch ingrijpen heeft het Westen Khomeini ongewild een perfect vijandbeeld cadeau gedaan.

Hoe het Westen de positie van de meer democratische leiders ondermijnde.

Bij Bazargan: De gijzeling van de ambassade (november 1979) was mede een reactie op het feit dat Carter de gevallen Sjah toeliet tot de VS voor medische behandeling. Voor de revolutionairen was dit het bewijs van westerse kwade trouw. Bazargan, die net had geprobeerd via diplomatiek contact bruggen te bouwen met Washington, werd daardoor intern afgeschilderd als naïef of zelfs als westerse handlanger. Carter heeft hem hiermee de grond onder de voeten weggetrokken.

Bij Banisadr: De westerse steun aan Irak tijdens de Iran-Irak oorlog was fataal. Banisadr was als president ook opperbevelhebber van het leger. Hij probeerde de oorlog militair en rationeel te leiden, maar de hardliners van de Revolutionaire Garde werkten hem systematisch tegen. Het feit dat het Westen Saddam bevoorraadde versterkte het narratief van de hardliners: "Alleen wij, de ware revolutionairen, begrijpen de vijand." Banisadr vluchtte uiteindelijk in 1981 naar Parijs.


Wat het Westen wél had kunnen doen

Dit is natuurlijk deels speculatief, maar historici zijn er vrij eensgezind over:

  • De Sjah niet toelaten in november 1979 — of toch minstens het moment en de manier anders aanpakken. Dit ene gebaar heeft Bazargan politiek vernietigd.
  • Geen steun aan Irak — een neutralere positie in de Iran-Irak oorlog had de hardliners minder munitie gegeven en Banisadr meer ruimte.
  • Erkenning van de legitieme Iraanse grieven over 1953 — een formele westerse erkenning van de coup tegen Mossadegh had het antiwesterse narratief van Khomeini aanzienlijk kunnen verzwakken. Obama deed dit pas indirect in 2009, dertig jaar te laat.
  • Economische opening aan de gematigden koppelen — in plaats van alles-of-niets sanctiepolitiek had het Westen kunnen differentiëren: gematigden belonen, hardliners isoleren.

De tragische kern

Zowel Bazargan als Banisadr waren mensen met wie het Westen perfect had kunnen samenwerken. Ze waren pro-dialoog, rationeel, niet anti-westers van nature. Maar door eigenbelang op korte termijn — de Sjah beschermen, Irak steunen tegen Iran — heeft het Westen telkens precies die mensen beschadigd die een brug hadden kunnen zijn.

"Het is één van de meest tragische gevallen van westerse strategische zelfondermijning in de moderne geschiedenis." 
(Cl.) 

Reacties